Definitie energiearmoede
We spreken van energiearmoede wanneer een huishoudens te maken heeft met een laag inkomen en hoge energiekosten en/of een woning met een lage energiekwaliteit. Om energiearmoede in kaart te brengen kijken we naar verschillende (combinaties van) indicatoren:
- Laag inkomen + woning met een (zeer) lage energiekwaliteit (LI(Z)LEK)
- Laag inkomen + hoge energiekosten (LIHE)
Daarnaast brengen we ook het aantal huishoudens in kaart dat niet kan meedoen met de energietransitie . Het gaat hierbij om huurders die voor de verduurzaming afhankelijk zijn van de verhuurder en woningbezitters die de financiële middelen niet hebben om de woning te verduurzamen.
Dat zijn huishoudens met:
- Lage energiekwaliteit woning + weinig investeringsmogelijkheden (LEKWI)
1. Hoeveel Nederlandse huishoudens zijn energiearm?
In 2025 waren er naar schatting 503 duizend energiearme huishoudens in Nederland, dit is 6% van het totaal aantal huishoudens in Nederland. Daarmee lijkt sinds 2024 de afname van energiearmoede te stagneren. Na een daling van ongeveer 10% in 2019 naar 4% in 2023, wordt het aandeel energiearme huishoudens in zowel 2024 als 2025 op 6,0% geschat (LILEK en/of LIHE). De afname in 2022 en 2023 hing sterk samen met financiële steunmaatregelen tijdens de energiecrisis, zoals de energietoeslag en het prijsplafond. Sinds het wegvallen van deze maatregelen in 2024 is het aandeel energiearme huishoudens weer gestegen en blijft dit in 2025 naar verwachting op een vergelijkbaar niveau.
Binnen de groep energiearme huishoudens vinden wel verschuivingen plaats. Het aantal huishoudens met een laag inkomen en hoge energiekosten (LIHE) stijgt naar schatting van 385 duizend huishoudens (4,6%) in 2024 naar 410 duizend huishoudens (4,9%) in 2025. Dit komt door een toename van het energieverbruik onder huishoudens en een toename van de vaste kosten voor gas en elektriciteit.
Percentage energiearme huishoudens 2019-2025
2. Hoeveel risicohuishoudens bestaan er in Nederland?
Risicohuishoudens zijn huishoudens met een laag middeninkomen (120% tot 170% van de armoedegrens) en zijn daarmee niet energiearm. Hun inkomen ligt namelijk net boven de inkomensgrens voor energiearmoede, maar zij hebben wel hoge energiekosten en/of wonen in een woning met een lage energetische (kosten)kwaliteit. Hierdoor lopen zij risico op betalingsproblemen wanneer energiekosten verder stijgen.
In 2025 wordt het aantal risicohuishoudens geschat op circa 959 duizend huishoudens, oftewel 11,4% van alle huishoudens. Dit is een lichte stijging ten opzichte van 2024, toen het ging om ongeveer 910 duizend huishoudens (10,8%).
3. Hoe hoog zijn de gemiddelde energiekosten?
De gemiddelde maandelijkse energiekosten zijn in 2025 opnieuw gestegen. Voor alle huishoudens bedroegen deze gemiddeld €181 per maand. Energiearme huishoudens betaalden gemiddeld €188 per maand, terwijl risicohuishoudens gemiddeld €194 per maand kwijt waren aan energie.
Hoewel de verschillen in energiekosten tussen huishoudgroepen relatief beperkt zijn, drukken deze kosten niet even zwaar op het besteedbaar inkomen (energiequote ). Energiearme huishoudens besteden gemiddeld 11,5% van hun besteedbaar inkomen aan energiekosten, tegenover ongeveer 5% voor alle huishoudens. Risicohuishoudens besteden gemiddeld 8,0% van hun inkomen aan energie. Achter deze gemiddelden schuilt een grote spreiding: driekwart van de energiearme huishoudens en een kwart van de risicohuishoudens heeft een energiequote boven de 9%. Een kwart van de energiearme huishoudens besteedt meer dan 13% van het inkomen aan de energierekening.
De gemiddelde energiekosten en energiequote van energiearme huishoudens liggen in 2025 op het hoogste niveau sinds 2019. Door hogere vaste kosten voor gas en elektriciteit en een licht stijgend energieverbruik stijgen de uitgaven aan energie harder dan het besteedbaar inkomen.
Gemiddelde maandelijkse kosten voor energie, na compensatie
Gemiddelde energiequote, na compensatie
4. Hoe diep is de betaalbaarheidskloof?
Voor het eerst is ook gekeken naar de betaalbaarheidskloof. Met de betaalbaarheidskloof brengen we het bedrag in kaart dat energiearme huishoudens tekortkomen om hun energiekosten onder de grens voor hoge energiekosten te brengen. In 2025 kwamen huishoudens met een laag inkomen en hoge energiekosten (LIHE) naar schatting gemiddeld €624 per jaar tekort om uit energiearmoede te raken. In 2024 bedroeg dit tekort gemiddeld €577 per huishouden, per jaar. Voor alle huishoudens met een laag inkomen en hoge energiekosten samen komt dit neer op een totale betaalbaarheidskloof van circa €256 miljoen.
De betaalbaarheidskloof is het grootst onder huishoudens in woningen met een zeer lage energetische (kosten)kwaliteit (LIZLEK) en onder eigenaar-bewoners. Zij komen gemiddeld respectievelijk €1.295 en €967 per jaar tekort om uit energiearmoede te komen.
De betaalbaarheidskloof is ook voor voorgaande jaren in kaart gebracht. Tijdens de energiecrisis was de gemiddelde betaalbaarheidskloof per huishouden groter, ondanks dat door financiële steun minder huishoudens energiearm waren volgens de LIHE-indicator. De resterende groep had gemiddeld een relatief diepe betaalbaarheidskloof van €738 per jaar in 2022 en €821 per jaar in 2023.
5. Wat zijn huishoud- en woningkenmerken van energiearme en risicohuishoudens?
Net als in voorgaande jaren wonen energiearme huishoudens relatief vaak in corporatiewoningen. In 2025 woont circa 70% van de energiearme huishoudens in een corporatiewoning. Risicohuishoudens wonen vaak in een corporatiewoning (48%) of koopwoning (35%).
De meeste energiearme en risicohuishoudens wonen in een meergezinswoning (56%), gevolgd door een tussenwoning (22%). Risicohuishoudens wonen eveneens relatief vaak in meergezinswoningen (40%) en tussenwoningen (26%).
Energiearme en risicohuishoudens beschikken minder vaak over zonnepanelen dan gemiddeld. Respectievelijk 12% en 14% heeft zonnepanelen, tegenover 38% van alle huishoudens. Ook hebben energiearme huishoudens relatief vaker een aansluiting op een warmtenet (10%) dan risicohuishoudens (7%) en de totale populatie (7%).
Daarnaast bestaan energiearme en risicohuishoudens veelal uit eenpersoonshuishoudens (respectievelijk 70% en 60%). Het inkomen van energiearme huishoudens komt vooral uit uitkeringen (34%) of AOW en pensioen (31%), terwijl dit bij risicohuishoudens vooral AOW/pensioen (57%) en werk (34%) betreft. Onder energiearme en risicohuishoudens is het aandeel vrouwelijke hoofdkostwinners hoger dan gemiddeld (50%, tegenover 37% onder de totale populatie). Onder energiearme huishoudens heeft de hoofdkostwinner relatief vaak een herkomst buiten Nederland (35%, tegenover 16% onder de totale populatie en 15% onder de risicohuishoudens). Ook bestaan energiearme huishoudens relatief vaker uit huishoudens waarvan één of beide ouders van dat huishouden niet in Nederland zijn geboren.
6. Waar komt (risico op) energiearmoede het meeste voor?
Energiearmoede concentreert zich vooral in grote steden, zowel binnen als buiten de Randstad, en in gemeenten in Noordoost-Groningen en Zuid-Limburg. De huishoudens met een diepe betaalbaarheidskloof wonen vooral aan de randen van Nederland.
Een compleet overzicht van de cijfers per gemeente en provincie is terug te vinden op dit kaartje over energiearmoede in Nederland. Onder het kaartje is het mogelijk om de data te downloaden.
Meer weten over energiearmoede?
Luister de podcast Energiearmoede uitgelegd uit de serie De energietransitie uitgelegd.