Dalende behoefte aan regelbaar vermogen
In het referentiescenario – waarbij wordt uitgegaan van normale weersomstandigheden en groeiende flexibiliteit – daalt de totale behoefte aan regelbare capaciteit van circa 16 GW in 2030 naar 10 GW in 2040 en 5 GW in 2050. De behoefte aan elektriciteitsproductie vanuit regelbare bronnen daalt nog sterker: van 29 TWh (ongeveer 15% van de totale elektriciteitsproductie) in 2030 naar slechts 4 TWh (1%) in 2050.
Deze dalende behoefte ontstaat ondanks de sterk groeiende vraag naar elektriciteit. Dit komt door het snel groeiende aanbod van elektriciteit uit zon en wind, de toenemende beschikbaarheid van andere flexibiliteitsopties – met name vraagrespons en buitenlandse handel – en de veronderstelling van normale weersomstandigheden in de referentiejaren.
Exacte behoefte hangt af van verschillende factoren
Deze verwachte behoefte heeft vanwege diverse onzekerheden nog een flinke marge. In 2050 ligt de verwachte vraag qua regelbare capaciteit tussen 4 GW en 18 GW en bij elektriciteitsproductie ligt het bereik van 3 TWh tot 43 TWh (van 0,6% tot 10% van de totale stroomopwekking).
Drie factoren zijn met name bepalend:
- De beschikbaarheid en betrouwbaarheid van alternatieve flexibiliteitsopties zoals vraagrespons en buitenlandse handel.
- De weersomstandigheden: gemiddelde condities versus extreme weersomstandigheden met één of twee Dunkelflautes per jaar maken een groot verschil.
- Beleidskeuzes, met name of bepaalde regelbare technologieën zijn toegestaan (fossiel aardgas, biomassa met CCS) of juist worden gestimuleerd (kernenergie).
Hoe ontwikkelt het aanbod zich?
De mix van regelbare opwektechnologieën verandert naar verwachting sterk in de komende decennia. De uiteindelijke mix hangt af van van vier factoren:
- De investerings- en operationele kosten.
- Het technisch-economisch potentieel van het omschakelen (retrofit) van bestaande, fossiele technologieën zoals kolen en aardgas naar klimaatneutrale technologieën zoals biomassa/CCS en groene waterstof .
- De beschikbaarheid van de regelbare technologieën en/of brandstoffen en of de samenleving het gebruik ervan acceptabel vindt.
- De beleidscondities.
Verschuiving van fossiel naar andere technologieën
In het referentiescenario bestaat het regelbare vermogen in 2030 en 2040 nog overwegend uit fossiele gascentrales – respectievelijk circa 15 GW en 8 GW – aangevuld met beperkte capaciteiten van biomassa-installaties (met of zonder CCS), afvalcentrales, grootschalige kernenergie (Borssele) en kleine modulaire kernreactoren (SMRs).
In 2050 neemt het opgestelde vermogen van fossiele gascentrales af tot 1,3 GW. De totale benodigde opwekcapaciteit van 5 GW bestaat dan grotendeels uit omgeschakelde gascentrales, waarbij fossiel gas is vervangen door groene waterstof. Deze worden aangevuld met kleine hoeveelheden biomassa-installaties (met of zonder CCS), afvalcentrales en SMRs.
Aanbod bij hogere behoefte regelbaar vermogen
In scenario’s met een relatief hoge vraag naar regelbaar vermogen (12-18 GW) bestaat de mix grotendeels uit zowel omgeschakelde als nieuwe waterstofcentrales (6-13 GW), aangevuld met beperkte hoeveelheden biomassa-installaties, biogascentrales, afvalcentrales, fossiele gascentrales en SMRs.