Beleidsinstabiliteit als grootste struikelblok
Van alle barrières is beleidsinstabiliteit de meest belemmerende factor. Frequente herzieningen van de Europese Renewable Energy Directive (RED), verschuivende subdoelstellingen voor geavanceerde biobrandstoffen en wisselende definities van welke grondstoffen als ‘geavanceerd’ gelden, zorgen voor aanhoudende onzekerheid bij investeerders. Internationale ervaring laat zien dat langetermijnstabiliteit in beleid zwaarder weegt dan financiële prikkels: voorspelbare bijmengverplichtingen en BKG-intensiteitssystemen zijn essentieel om investeringen los te trekken. Zonder bescherming van de geavanceerde categorieën verliezen deze risicovolle waardeketens het van goedkopere, bewezen biobrandstoffen zoals biomethaan en HVO/HEFA (op basis van plantaardige oliën en vetten).
Naast beleidsinstabiliteit zijn de toeleveringsketens voor veel grondstoffen die onder de RED III vallen nog onvoldoende ontwikkeld. Langetermijncontracten voor de levering van biomassa zijn cruciaal om investeringsrisico’s te beperken, maar zijn moeilijk af te sluiten. Frequente wijzigingen in de lijst met goedgekeurde grondstoffen vergroten die onzekerheid. Europese samenwerking is hierbij essentieel, aangezien er een aanzienlijk potentieel is voor lignocellulose-biomassa in Europa.
Eerste fabrieken essentieel maar commercieel kwetsbaar
Zogenaamde first-of-a-kind (FOAK) fabrieken vormen een onmisbare tussenstap naar rendabele vervolgprojecten. Maar de bouw van een commerciële installatie kost honderden miljoenen euro’s en gaat gepaard met risico’s door het hele spectrum van de waardeketen: van onbewezen operationele prestaties tot onvoorspelbare kasstromen. Dat maakt investeerders terughoudend. Onafhankelijke ontwikkelaars, vaak de bron van innovatie, worden extra hard getroffen omdat zij doorgaans niet beschikken over sterke financiële reserves.
De bestaande Europese financieringssteun biedt hier onvoldoende uitkomst. Die steun is gefragmenteerd en risicomijdend en richt zich vooral op bewezen technologieën. Recente Europese ontwikkelingen, zoals het Sustainable Transport Investment Plan (STIP), leggen meer nadruk op e-fuels en adresseren geavanceerde biobrandstoffen niet expliciet.
Duidelijke vraag en gerichte risicovermindering nodig
Stabiele, langdurige vraagsignalen zijn onmisbaar om de markt op gang te brengen. Voor Nederland betekent dit: overheidsondersteunde afnamemechanismen, gezamenlijke inkoop en aansluiting bij de Europese mandaten voor luchtvaart (ReFuelEU Aviation) en scheepvaart (FuelEU Maritime). Een belangrijk aandachtspunt is dat sterke vraag niet automatisch leidt tot binnenlandse productie; import kan de vraag ook vullen. Concurrentie met andere regio’s vraagt daarom om zorgvuldig management.
Gerichte risicovermindering kan de doorbraak bieden. Een combinatie van overheidsgaranties, concessionele publieke financiering en ondersteuning in de opstartfase kan het risico voor financiers verlagen en de liquiditeit in de vroege operationele fase verbeteren. Dat maakt het mogelijk om risicovolle technologieën verder te laten ontwikkelen van demonstratie naar volledige commerciële toepassing.
Tweesporenbeleid voor Nederland
Om de kloof tussen ambitie en praktijk te dichten, is een tweesporenbeleid het meest kansrijk. Het eerste spoor richt zich op langetermijnstabiliteit: ambitieuze en voorspelbare BKG-reductie-eisen en bindende submandaten voor geavanceerde biobrandstoffen, met een horizon van tien tot vijftien jaar. Het tweede spoor voorziet in tijdelijke, gerichte ondersteuning via instrumenten zoals leningsgaranties en gerichte subsidies voor een beperkt aantal FOAK-projecten die aansluiten op waar Nederland goed in is.
Na de FOAK-fase kunnen bestaande instrumenten zoals de SDE++ worden ingezet om inkomenszekerheid te bieden. Daarvoor zijn wel aanpassingen nodig: uitbreiding naar luchtvaart- en scheepvaartbrandstoffen en actualisatie van grondstofkostenaannames. Op termijn kan dit doorgroeien naar grensoverschrijdende veilingen en uiteindelijk naar een volledig marktgestuurd systeem.
Nederland heeft weliswaar beperkte eigen biomassa, maar beschikt met zijn havens, logistieke knooppunten en industrieclusters over een sterke uitgangspositie. Geopolitieke ontwikkelingen, zoals recente verstoringen in de mondiale kerosineaanvoer, onderstrepen het belang van diversificatie van brandstofbronnen binnen de EU. Door geavanceerde bioraffinaderijen te integreren in bestaande raffinage- en chemieclusters kan Nederlandland een voortrekkersrol spelen. Niet alleen voor de verduurzaming van transport, maar ook als springplank voor een fossielvrije chemische industrie.