Van ambitie naar realiteit
De bijstelling heeft meerdere oorzaken. De volumebeelden uit 2023 waren geënt op de toenmalige Europese beleidsambities. De geactualiseerde cijfers weerspiegelen wat er daadwerkelijk aan projecten wordt gerealiseerd, welke investeringsbeslissingen zijn genomen en hoe de industriële vraag zich in de praktijk ontwikkelt.
Tegelijkertijd zijn de kosten sinds 2023 op meerdere fronten gestegen, loopt de realisatie van projecten achter op planning en kost het opschalen van technologie meer tijd dan voorzien. Het gevolg is dat de groei van waterstofdragers vrijwel volledig afhangt van regelgeving en subsidiëring. Een autonome marktontwikkeling, zoals eerder werd verwacht, tekent zich vooralsnog niet af.
Drie scenario’s voor 2035
De verwachte ontwikkeling voor 2035 is gebaseerd op projecten die op dit moment al in gang zijn gezet. Er is gewerkt met drie mogelijke scenario’s.
- In het scenario ‘Status quo’ beperken marktpartijen zich tot wat wettelijk verplicht is. De investeringsbereidheid is laag en verdere groei komt nauwelijks van de grond.
- Het scenario ‘Stijgende lijn’ gaat uit van geleidelijk verbeterende omstandigheden: aantrekkelijkere energieprijzen, meer zekerheid voor investeerders en aanvullende overheidsmaatregelen maken het voor een bredere groep partijen rendabel om waterstofdragers in te zetten.
- In het scenario ‘Krimp zet door’ houden ongunstige marktomstandigheden aan en krimpt de energie-intensieve industrie verder, waardoor de vraag het laagst uitvalt. Waterstofdragers worden in dat geval uitsluitend ingezet om aan het wettelijke minimum te voldoen.
Van de drie scenario’s komt alleen ‘Stijgende lijn’ – met een totale vraag van 396 kiloton – boven het laagste scenario uit 2023 uit. De twee andere scenario’s blijven daar ruimschoots onder.
Import blijft noodzakelijk, doorvoerrol onzeker
Nederland zal in elk scenario waterstofdragers moeten importeren om aan de RFNBO-verplichtingen te voldoen (zie RFNBO-verplichting grote uitdaging voor industrie), ook als de binnenlandse elektrolyse fors opschaalt. Een belangrijke reden is dat methanol en ammoniak een dubbele functie hebben: ze dienen als drager om waterstof te transporteren, maar worden ook rechtstreeks als grondstof of brandstof ingezet in sectoren zoals de chemie en de scheepvaart. Omzetting van deze dragers naar gasvormig waterstof gebeurt daarbij alleen wanneer daar concrete afnemers voor zijn en het economisch aantrekkelijk is.
RFNBO-verplichting grote uitdaging voor industrie
De positie van Nederland als logistieke hub richting buurlanden, met name Duitsland, is daarbij niet vanzelfsprekend. Dit hangt af van meerdere factoren: wanneer grensoverschrijdende infrastructuur zoals de Delta Rhine Corridor gereed is, hoe snel alternatieve aanvoerroutes via Denemarken of Zuidwest-Europa zich ontwikkelen en in welk tempo Europees beleid de vraag aandrijft.
Infrastructuur: strategische waarde voorbij directe volumevraag
Bij de verwachte volumes tot 2035 is er weinig aanleiding om op korte termijn een ammoniakbuisleiding aan te leggen als onderdeel van de Delta Rhine Corridor. De verwachte hoeveelheden zijn via de huidige transportmiddelen en routes af te handelen.
Tegelijkertijd kan het landelijke waterstofnetwerk dat Gasunie-dochter Hynetwork Services aanlegt ook bij bescheiden groei waardevol zijn. Het biedt speelruimte om in te spelen op veranderingen, verbindt projecten in verschillende regio’s en zorgt dat opschaling later alsnog haalbaar is. De waarde van dergelijke investeringen zit dan ook niet zozeer in het bedienen van de huidige volumevraag, maar in het behouden van strategische bewegingsruimte voor de toekomst.
Vertraging, geen afstel
De neerwaartse bijstelling betekent niet dat waterstof als optie van tafel is. Het gaat langzamer dan gehoopt, maar de koers is niet gewijzigd: waterstof en waterstofdragers blijven onderdeel van het toekomstige energiesysteem . De komende jaren vormen vooral een periode van leren en kleinschalig opschalen, met nog veel onbeantwoorde vragen en fundamentele keuzes die gemaakt moeten worden. De jaren tot 2035 zijn dan ook beter te beschouwen als aanloop naar eventuele grootschalige inzet daarna, dan als een fase waarin de markt al op volume draait.