Economische paradigma’s en duurzaam beleid
Beleidsmedewerkers kijken, net als andere burgers, naar de wereld vanuit bepaalde paradigma’s – onuitgesproken aannames en overtuigingen over hoe de wereld werkt. Deze ‘bril’ is vaak impliciet, maar beïnvloedt welk beleid wel of juist niet wordt overwogen.
Om inzicht te krijgen in die paradigma’s zijn beleidsmedewerkers van de ministeries Klimaat en Groene Groei, Infrastructuur en Waterstaat, Economische Zaken en Financiën geïnterviewd en hun opvattingen en ideeën over beleid onderverdeeld in vier economische paradigma’s: groene groei, postgroei, great mindshift en missie-economie.
Vier economische paradigma’s
De gebruikte indeling in economische paradigma’s komt uit het rapport Analysing the Beyond Growth Debate (Slingerland et al., 2024). Op basis van een analyse van wetenschappelijke literatuur komt dit rapport tot vier paradigma’s, elk met een eigen visie op hoe een duurzame economie eruit moet zien:
Analysing the Beyond Growth Debate
- Groene groei – Dit paradigma streeft naar duurzame economische groei door technologische innovatie en het internaliseren van milieukosten. Voorbeelden van beleid zijn CO2-heffingen, emissiehandelssystemen en generieke stimulering van technologische innovatie.
- Postgroei – Postgroei richt zich op het verminderen van consumptie en het bevorderen van welzijn zonder nadruk op economische groei. Beleidsmaatregelen zijn bijvoorbeeld gericht op het afschalen van ecologisch schadelijke industrieën, hervorming van arbeid en herverdeling van welvaart en inkomen.
- Great mindshift – Dit paradigma benadrukt fundamentele verandering in voorkeuren, normen en waarden door bottom-up innovatie vanuit de samenleving zelf. Beleid stimuleert energiegemeenschappen, zelfvoorziening op lokale schaal en gebruik van lokale kennis.
- Missie-economie – Missie-economie pleit voor sterke overheidsinterventie om maatschappelijke problemen op te lossen door gerichte ‘missies’. Beleid richt zich op financiering en directe regulering van technologiekeuzes door de overheid, zoals specifiek sectoraal beleid.
Postgroei als wens, groene groei als realiteit
Beleidsmedewerkers van de ministeries Klimaat en Groene Groei, Infrastructuur en Waterstaat, Economische Zaken en Financiën lijken vooral vanuit het paradigma groene groei en het paradigma postgroei te denken, waarbij ze vaker verwijzen naar groene groei. Op verschillende momenten drukken zij spanningen uit tussen deze twee paradigma’s. Ze zien groene groei als het huidige systeem en de realiteit waar ze niet omheen kunnen, terwijl ze dit wel graag zouden willen. Beleidsmaatregelen passend bij het paradigma postgroei zien ze vaak als wenselijk. De paradigma’s great mindshift en missie-economie komen minder terug in hun denkbeelden.
Opvattingen per thema:
- Klimaatdoelen – Beleidsmedewerkers willen idealiter ambitieuze doelen, inclusief planetaire grenzen en sociale aspecten (postgroei, great mindshift). Ze nemen echter aan dat dit niet realistisch is. Zij zouden klimaatbeleid het liefst gericht zien op defossilisering (postgroei), maar beschouwen decarbonisatie waarbij CO2-opslag mogelijk blijft als het realistische doel (groene groei).
- Economische groei – Hoewel een meerderheid van de beleidsmedewerkers niet gelooft dat oneindige groei mogelijk is zonder klimaatschade (postgroei), nemen zij tegelijkertijd aan dat economische groei in het huidige systeem nodig is voor de betaalbaarheid van maatschappelijke doelen en publieke voorzieningen (groene groei).
- Rol van overheid en gedragssturing – Beleidsmedewerkers zien een sturende overheidsrol als noodzakelijk, omdat bedrijven volgens hen vooral winstgedreven zijn en burgers niet vanzelf veranderen. Het bieden van een overheidskader waarbinnen de markt kan functioneren past bij groene groei. Zij vinden gedragssturing door de overheid wenselijk (postgroei), maar nemen aan dat burgers hier niet voor openstaan (groene groei).
- Herverdeling en innovatie – Nationale herverdeling wordt breed gesteund (postgroei). Over internationale herverdeling zijn beleidsmedewerkers verdeeld. Een deel vindt financiële compensatie rechtvaardig (postgroei), een ander deel prefereert alleen kennis- en technologieoverdracht (groene groei). Voor technologische innovatie nemen beleidsmedewerkers aan dat bedrijven het beste kunnen bepalen welke innovaties belangrijk zijn, waardoor de voorkeur uitgaat naar generieke financiering (groene groei).
Mogelijkheden voor beleid
De bevindingen laten zien dat beleidsmedewerkers vooral maatregelen overwegen die passen bij de paradigma’s groene groei en in mindere mate postgroei. De great mindshift en missie-economie komen nauwelijks aan bod. Dit betekent dat bepaalde beleidsopties mogelijk onderbelicht blijven. Er zijn verschillende mogelijkheden om de beleidsvorming te verbreden:
- Bewustwording rond economische paradigma’s bevorderen – Door in te zetten op meer bewustwording rond alternatieve economische paradigma’s tijdens interne bijeenkomsten of lezingen kunnen beleidsmedewerkers gestimuleerd worden om breder over beleid na te denken. Bewustwording kan zich richten op de verschillende paradigma’s die er zijn, wat ze inhouden, en welke invloed paradigma’s kunnen hebben op beleidsvorming.
- Beleidsvoorstellen vanuit alle paradigma’s actief inbrengen – Bij momenten dat er nieuw beleid wordt gezocht om doelstellingen te halen – bijvoorbeeld bij een Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) – kan aan de start aandacht besteed worden aan het breed ophalen van voorstellen vanuit verschillende paradigma’s. Met name bij het postgroei-paradigma passen beleidsmaatregelen die niet direct over klimaat of circulariteit lijken te gaan, maar volgens dit paradigma wel nodig zijn om de transitie naar een duurzame maatschappij te maken, zoals arbeidstijdverkorting.
- ‘Joint fact finding’ organiseren – De aannames van de beleidsmakers zoals hier besproken kunnen onderzocht worden op juistheid of aannemelijkheid. Vragen die hierbij gesteld kunnen worden zijn: in welke mate zijn de aannames gegrond, en als ze gegrond zijn, hoe kan toekomstig beleid hier dan mee omgaan? Het heeft meerwaarde om beleidsmedewerkers te betrekken met verschillende ideeën hierover. Zo ontstaat in het proces een meer gedeeld en gedragen beeld.