Industrie
Laatst gewijzigd op:

De Nederlandse industrie omvat relatief veel energie-intensieve sectoren. De broeikasgasemissies van de energie-intensieve industrie vallen onder het Europese emissiehandelssysteem (EU ETS). In 2021 heeft Nederland een nationale CO₂-heffing voor de industrie ingevoerd die erop gericht is om het reductiedoel voor de industrie uit het Klimaatakkoord te halen. Het verlagen van de CO₂-emissie kan door energiebesparing, hernieuwbare energie, inzet van andere energiedragers, maatregelen in de materiaalketen en CO₂-afvang en -opslag.
Luister ook de podcast ‘De energietransitie uitgeleg’ over de elektrificatie in de industrie
De Nederlandse industrie was in 2020 verantwoordelijk voor ongeveer een derde van de totale broeikasemissies in Nederland. In vergelijking met de meeste andere Europese landen is de Nederlandse industrie relatief energie-intensief, onder andere door de omvangrijke petrochemische industrie, raffinagesector en staalindustrie. De chemiesector is verantwoordelijk voor circa 40% van de CO2-emissie. CO2 is het belangrijkste broeikasgas. Overige broeikasgassen (methaan, lachgas en F-gassen) dragen circa 10% bij aan de broeikasgasuitstoot van de industrie (zie figuur).
De Nederlandse energie-intensieve industrie is geconcentreerd in vijf grote clusters: Rotterdam-Moerdijk, Zeeland, Chemelot, Noord-Nederland en het Noordzeekanaalgebied. Binnen deze clusters zijn er veel ketenrelaties. Industriële basisproducten, halffabricaten en eindproducten worden vaak door verschillende bedrijven geproduceerd.
Het EU ETS is een marktinstrument waarmee de EU de uitstoot van broeikasgassen wil verminderen. De deelnemende bedrijven moeten elk jaar evenveel emissierechten inleveren als ze aan tonnen broeikasgas uitstoten. Op basis van vraag en aanbod naar emissierechten komt een CO2-prijs tot stand. Het aantal beschikbare emissierechten is beperkt en gaat elk jaar omlaag. De meeste industriële bedrijven krijgen jaarlijks een hoeveelheid emissierechten gratis toegewezen. Bedrijven kunnen extra rechten bijkopen via veilingen of handel.
In juli 2021 heeft de Europese Commissie een pakket beleidsmaatregelen gepresenteerd om het Europese klimaatbeleid in lijn te brengen met de doelstellingen uit de Europese Klimaatwet. Dit Fit for 55 pakket bevat voorstellen voor een aanscherping van het emissieplafond voor de ETS-sectoren en de invoering van een koolstofheffing aan de buitengrens van de EU (CBAM). De aanscherping van het emissieplafond betekent dat de hoeveelheid emissierechten die bedrijven gratis krijgen zal afnemen. Met de nieuwe koolstofheffing wil de Europese Commissie zorgen voor een gelijk speelveld met concurrenten in landen buiten de EU.
De CO2-heffing die Nederland in 2021 heeft ingevoerd legt een minimumprijs op voor de uitstoot van broeikasgassen . Deze minimumprijs loopt tussen 2021 en 2030 op. Jaarlijks krijgen de bedrijven een bepaalde hoeveelheid van de heffing-vrijgestelde uitstootruimte toegekend in de vorm van dispensatierechten. De bedrijven mogen deze dispensatierechten onderling verhandelen.
De industriebedrijven kunnen voor emissiereducerende maatregelen een onrendabele-top subsidie krijgen vanuit de regeling Stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie (SDE++). De SDE++ is met ingang van 2020 opengesteld voor niet-hernieuwbare technieken, zoals CO2-afvang en -opslag, elektrische boilers en benutting van restwarmte. De combinatie van de CO₂-heffing en de SDE++-subsidie geeft de bedrijven een sterke prikkel om hun emissies te reduceren.
De Nederlandse industrie staat voor de uitdaging om haar broeikasgasuitstoot te verlagen, haar energievraag te verduurzamen en het gebruik van fossiele koolwaterstoffen die als grondstof dienen te vervangen door duurzame alternatieven. Ten dele kan dit met al bekende productieprocessen, maar hiervoor zijn ook hele nieuwe productieprocessen nodig die nog niet grootschalig zijn toegepast.
Het verlagen van CO2-emissies van de industrie kan onder andere door over te schakelen op andere energiedragers, door het toepassen van energiebesparende maatregelen, door inzet van hernieuwbare energie of door CO2 af te vangen en op te slaan (CCS). Alternatieve energiedragers met lagere emissies zijn bijvoorbeeld biogas, blauwe waterstof (gemaakt uit fossiele energiedragers waarbij de vrijkomende CO2 wordt opgeslagen) en groene waterstof (gemaakt met duurzame energie).
CO₂-opslag en -hergebruik
Waterstof
Energiebesparing is te realiseren door efficiëntere productieprocessen, zoals scheidingsprocessen met behulp van membranen in plaats van destillatie, of meer hergebruik van restwarmte en materialen. Elektrificatie zorgt in combinatie met het groeiende aandeel hernieuwbare elektriciteit voor lagere indirecte emissies. In de overgangsfase naar een klimaatneutrale industrie is het ook mogelijk om CO2 af te vangen bij productieprocessen en deze op te slaan onder de bodem van de Noordzee (CO2-afvang en -opslag).
In de industrie is warmte nodig op verschillende temperatuurniveaus. De temperaturen lopen uiteen van minder dan 100 °C tot meer dan 1000 °C. Bij processen op lagere temperatuur gaat het bijvoorbeeld om warmte voor drogen en ontwateren in de voedingsmiddelenindustrie en papierindustrie. Warmte op hoge temperatuur is nodig voor processen zoals de hoogovens voor staalproductie, kraakfornuizen en glasovens.
Elektrificatie met behulp van warmtepompen, elektrische boilers of compressoren is een mogelijkheid voor het verduurzamen van proceswarmte. Ook ovens en fornuizen kunnen worden geëlektrificeerd. Een andere optie is geothermie. Inzet van fossiele brandstoffen is een mogelijkheid als CCS wordt toegepast. Hybride stoomproductie met boilers die zowel op brandstof als op elektriciteit kunnen draaien, kan niet alleen een rol spelen bij het verminderen van de CO2-uitstoot (als de elektriciteit uit hernieuwbare bron komt), maar ook bij het vergroten van de flexibiliteit van de elektriciteitsvraag. Dit kan bijdragen aan de inpassing van het variabele aanbod van hernieuwbare elektriciteit uit wind- en zonne-energie.
Geothermie (aardwarmte)
CO₂-opslag en -hergebruik
Flexibiliteit van het energiesysteem
Door bestaande processen te verbeteren kunnen deze energie-efficiënter worden gemaakt, maar de vraag is of het ontwerpen en inrichten van geheel nieuwe processen op basis van nieuwe technologie op termijn niet veel meer oplevert. Door gebruik te maken van circulaire grondstoffen en hernieuwbare energiedragers kunnen sluitende circulaire processen en waardeketens worden ingericht. Het is uitermate complex om te bepalen wat de ‘optimale strategie’ is en dit zal per sector verschillen. De industriële transformatie vereist zowel een energietransitie als een grondstoffentransitie. Daarmee samenhangend is er noodzaak voor een ingrijpende infrastructurele transitie en grootschalige flexibilisering.
Deze veranderingen hebben ook grote gevolgen voor burgers. Voor draagvlak en acceptatie is het belangrijk dat de besluitvorming transparant is en dat de lusten en lasten eerlijk worden verdeeld. Hierbij gaat het niet alleen om de financiële lastenverdeling tussen huishoudens en bedrijven, maar ook om het effect op ruimte en leefbaarheid. De acceptatie van projecten is afhankelijk van welke bredere effecten ze hebben op de samenleving. De relatie tussen de omgeving en de direct belanghebbenden is cruciaal. In het verleden heeft lokale weerstand ervoor gezorgd dat grote projecten ernstig zijn vertraagd of niet door zijn gegaan.
Hetzelfde geldt voor de technologische ontwikkelrichtingen die hieraan ten grondslag liggen.
Modelanalyses kunnen helpen om transitiepaden te ontwikkelen en besluiten te nemen over verduurzaming van de industrie, zowel per land, per cluster, per sector als per bedrijf. Het is niet eenvoudig om de uitkomsten van verschillende modellen in samenhang te wegen en te vertalen naar de meest optimale transitiepaden (techno-economisch en sociaal-maatschappelijk) en noodzakelijke investeringen. Cruciaal voor ieder model is de beschikbaarheid van betrouwbare en relevante data. Er liggen belangrijke uitdagingen om het modelinstrumentarium uit te breiden met modellen voor analyses die we nu nog niet kunnen maken.
Er is veel data beschikbaar bij onderzoeksinstellingen, maar vooral ook bij de industrie zelf. Samen vormen al die data een potentiële schat aan informatie om de beste opties voor transitiepaden te kunnen bepalen. Het is zaak de kennis en ontwikkelcapaciteit van onderzoeksinstellingen, industrie en overheid op een goede manier bij elkaar te brengen.
MIDDEN staat voor Manufacturing Industry Decarbonisation Data Exchange Network. Sinds de start van MIDDEN zijn er meer dan 35 rapporten en een uitgebreide database beschikbaar gemaakt. De database bevat gegevens over de mogelijkheden voor decarbonisatie van de Nederlandse energie-intensieve industrie. Het brengt de huidige situatie van de meeste bedrijven onder het EU ETS in kaart met actuele data en geeft inzicht in de voorwaarden waaronder investeringen in decarbonisatie kunnen plaatsvinden. MIDDEN is een initiatief van PBL en TNO en wordt breed gedragen door de overheid en diverse brancheorganisaties. Kijk hier voor meer informatie over MIDDEN.
MIDDEN
Uitstoot van broeikasgassen door de industrie in 2020.
Bron: CBS, RIVM/Emissieregistratie
Dit figuur laat de uitstoot van broeikasgassen door de industrie in 2020 zien. In totaal stootte de industrie 53,4 megaton uit. Het aandeel in de vorm van CO2 daarin was van de chemische industrie 35,0. procent, dat van de aardolie-industrie 19,1 procent, van de basismetaalindustrie 11,2 procent en van de overige industrie 22,3 procent. Afvalstortplaatsen waren verantwoordelijk voor 4,3 procent in de vorm van methaan. Lachgas, F-gassen en overig methaan samen vormden de resterende 8,1 procent.