Inkomsten overtreffen uitgaven ruimschoots
In 2024 bedroeg het verschil tussen de energiegerelateerde belastinginkomsten en de uitgaven aan verduurzaming 22,1 miljard euro. Ter vergelijking: het totale overheidstekort was in dat jaar 10,6 miljard euro. De netto belastinginkomsten uit energiegebruik vertegenwoordigen bijna 5,5 procent van alle overheidsinkomsten.
Opvallend is dat de gederfde inkomsten via belastingkortingen op energiegebruik groter zijn dan de totale uitgaven aan verduurzaming. De aansluitingskorting op de energierekening, de gratis uitgifte van CO₂-emissierechten en maatregelen als het prijsplafond van 2023 vertegenwoordigen samen 7,5 miljard euro aan gemiste belastingopbrengsten, tegenover 4,4 miljard aan directe uitgaven.
Programma Energietransitie Integraal Kostenbeeld (EIK)
Om een samenhangend financieel-economisch beeld van de energietransitie te ontwikkelen, heeft de Kenniscoalitie Energietransitie (CBS, CPB, PBL, RVO, TNO) het meerjarige onderzoeksprogramma EIK opgezet. Doel is het ontwikkelen van een kennisbasis om gedurende de energietransitie een robuust kostenbeeld te kunnen leveren, bij besluitvorming en strategie voor het energiesysteem . Dit rapport is onderdeel van het EIK-programma.
Huishoudens dragen de grootste belastinglast
Zo’n 60 procent van de belastinginkomsten op energiegebruik in 2024 is afkomstig uit wegvervoer: brandstofaccijnzen, motorrijtuigenbelasting en de aanschafbelasting voor auto’s en motoren (bpm). De energiebelasting op aardgas en elektriciteit maakt circa 20 procent uit.
Huishoudens dragen een groter deel van deze lasten dan bedrijven. In 2024 waren huishoudens nettobetaler voor 12,9 miljard euro, niet-financiële vennootschappen voor 8,2 miljard. Die ongelijkheid is ook zichtbaar per eenheid energie. De gemiddelde effectieve belastingvoet op aardgas bedraagt 12 eurocent per kubieke meter, terwijl kleinverbruikers marginaal 58 eurocent per kubieke meter betalen. Grootverbruikers worden dus tegen aanzienlijk lagere tarieven aangeslagen.
Wisselend palet aan uitgaven
Aan de uitgavenkant valt op dat de samenstelling van jaar tot jaar verschilt. De subsidie ‘stimulering duurzame energie ’ (SDE) was in 2024 met 1,5 miljard euro de grootste post, gevolgd door verduurzaming van gebouwen met 1,0 miljard. De SDE fluctueert mee met energieprijzen: wanneer marktprijzen hoog zijn, krimpt de onrendabele top van duurzame energieproductie en daalt de subsidie. Daarnaast wisselt het palet doordat veel regelingen slechts enkele jaren bestaan.
Verder is te zien dat de rol van lokale overheden in het energietransitiebeleid groeit. Gemeenten en provincies gaven in 2024 ruim 600 miljoen euro uit via specifieke uitkeringen vanuit het Rijk (SPUKs), terwijl dat bedrag in 2019 nog verwaarloosbaar was. Tegelijkertijd hebben lokale overheden in zes jaar tijd 3,3 miljard euro aan SPUK-middelen ontvangen die zij nog niet hebben besteed. De vertaling van Rijksmiddelen naar daadwerkelijk lokaal beleid vergt blijkbaar tijd.
Beeld kan kantelen
Het huidige financiële beeld hoeft niet blijvend te zijn. Naarmate het fossiele energiegebruik afneemt, krimpt de grondslag waarover de overheid belasting heft. Die erosie is al zichtbaar: gecorrigeerd voor inflatie brachten brandstofaccijnzen in 2024 ruim 3 miljard euro minder op dan in 2013, als gevolg van dalend brandstofverbruik. Tegelijkertijd staan forse investeringen op stapel voor de verzwaring en aanpassing van de energie-infrastructuur.
Eind 2026 komt een gedetailleerdere ORET-database beschikbaar met informatie over wie subsidies ontvangt en wie belastingen betaalt.