Programma Energietransitie Integraal Kostenbeeld (EIK)
Om een samenhangend financieel-economisch beeld van de energietransitie te ontwikkelen, heeft de Kenniscoalitie Energietransitie (CBS, CPB, PBL, RVO, TNO) het meerjarige onderzoeksprogramma EIK opgezet. Doel is het ontwikkelen van een kennisbasis om gedurende de energietransitie een robuust kostenbeeld te kunnen leveren, bij besluitvorming en strategie voor het energiesysteem . Dit rapport is onderdeel van dit programma.
Gemiddeld stabiel, maar grote onderlinge verschillen
Nederlandse huishoudens geven gemiddeld zo’n 7 procent van hun besteedbaar inkomen uit aan energie en brandstof. Voor huishoudens met een eigen auto loopt dat op tot circa 8 procent. Hoewel de kosten tussen 2019 en 2024 flink zijn gestegen, met een duidelijke piek in 2022, is het aandeel van het inkomen dat eraan opgaat per saldo nauwelijks veranderd. De reden: de inkomens stegen in dezelfde periode mee.
Achter dat gemiddelde schuilen echter grote onderlinge verschillen. De laagste inkomensgroep is als aandeel van het inkomen circa driemaal zoveel kwijt aan energie en brandstof als de hoogste inkomensgroep. Ook regionaal zijn er duidelijke patronen: buiten de Randstad leggen energiekosten een groter beslag op het huishoudbudget. Dat hangt samen met lagere inkomens, grotere woningen, minder appartementen en een hogere autoafhankelijkheid.
Verschillende compensatiemechanismen per inkomensgroep
Hoe huishoudens de hogere energiekosten opvangen, verschilt per inkomensgroep. Bij hogere inkomens compenseert een lager gas- en elektriciteitsverbruik de stijging van de energierekening grotendeels; deze groep had meer ruimte om te besparen. Bij lagere inkomens speelden inkomensgroei en de verhoging van de jaarlijkse energiebelastingteruggave een grotere rol.
Daarnaast maakt de kwaliteit van de woning veel uit. Huishoudens in energetisch slechte woningen betalen door hun hogere gasverbruik aanzienlijk meer energiebelasting. In 2023 scheelde dat gemiddeld 1.000 euro per jaar per woning voor hoge inkomens en 670 euro voor lage inkomens, vergeleken met huishoudens in energiezuinige woningen. Het gericht verbeteren van de slechtste woningen kan daarmee meer opleveren dan het breed verlagen van energiebelastingen. Extra aandacht is nodig voor de commerciële huursector, waar het aandeel slecht geïsoleerde woningen nog altijd hoog is.
Verduurzaming maakt meer verschil dan prijsontwikkelingen
Bij het doorrekenen van twee CPB-energieprijsscenario’s (een met gematigde prijsstijgingen conform marktverwachtingen en een waarin prijzen langdurig hoog blijven) maakt verduurzaming meer verschil voor de energierekening dan het prijsverschil tussen die scenario’s. Wanneer huishoudens hun woning isoleren op het niveau van energielabel B en overstappen op elektrisch rijden, dalen de energiekosten in beide scenario’s. Zelfs wanneer prijzen langdurig hoog blijven, komt de energiequote na verduurzaming gemiddeld lager uit dan in de huidige situatie.
Verduurzaming vermindert de fossiele afhankelijkheid en verkleint daarmee de gevoeligheid voor toekomstige prijsschokken. Het gaat hierbij wel uitsluitend om variabele energiekosten. Investerings- en financieringskosten van woningisolatie en elektrische auto’s zijn niet meegenomen.
Baten ongelijk verdeeld
Zowel de gevolgen van hogere energieprijzen als de baten van verduurzaming raken inkomensgroepen verschillend. Lagere inkomens worden relatief het zwaarst getroffen door prijsstijgingen, omdat energie een groter deel van hun budget uitmaakt. Tegelijkertijd profiteert deze groep in relatieve termen het meest van verduurzaming: hun energiequote daalt het sterkst.
Toch zijn het juist lagere inkomensgroepen die minder vaak zelf actie kunnen ondernemen. Huishoudens met lage inkomens zijn vaker huurder en hebben daarmee niet de mogelijkheid om hun woning zelf te verduurzamen. De overstap naar elektrisch rijden vindt vooralsnog voornamelijk plaats bij hogere inkomensgroepen, die vaker een eigen auto bezitten, meer kilometers rijden en sneller overstappen op een elektrisch voertuig. Als beleid hier niet op inspeelt, lopen de verschillen verder op. De beleidsuitdaging verandert daarmee van karakter. Niet alleen het dempen van hoge energierekeningen is nodig, maar vooral het zorgen dat ook lagere en middeninkomens de stap naar verduurzaming kunnen zetten.