Landbouw

De landbouwsector is verantwoordelijk voor een beperkt deel van het totale eindverbruik van energie.

De activiteiten in de landbouwsector omvatten productieprocessen voor voedingsmiddelen zoals granen, fruit, groenten, vlees, gevogelte en melk, en niet-voedingsproducten van economische waarde zoals bloemen, sierplanten en hennep. De landbouwsector neemt slechts een klein deel van de totale vraag naar energie voor haar rekening, zowel in geïndustrialiseerde landen als in ontwikkelingslanden. In de OESO-landen wordt ongeveer 2% van het totale eindverbruik van energie direct in de landbouwsector gebruikt. Binnen de landbouwsector vormen de energiekosten echter een belangrijk deel van de totale kosten, en zijn ze een belangrijk en sterk variabel deel van de productiekosten van voedsel. In Nederland wordt verreweg de meeste energie in de landbouwsector gebruikt door de glastuinbouw.  

Behalve de kernprocessen die plaatsvinden in de sector zelf zijn er tal van processen in andere sectoren hoger en lager in de productieketen – onder meer de productie van kunstmeststoffen en de verwerking, verpakking en transport van voedsel. Het energieverbruik in de landbouwsector zelf heeft betrekking op het verbruik van brandstof en elektriciteit om machines en apparatuur aan te drijven, op verwarming en koeling van gebouwen en op verlichting op de boerderij.

Overstappen op hernieuwbare energie en efficiënter omgaan met energie kan de landbouwsector helpen om de uitstoot van CO₂ te verminderen, maar de uitstoot van andere broeikasgassen is er veel groter.

Landbouw heeft grote gevolgen voor het milieu en het klimaat. Met de invoering van landbouwmachines, synthetische meststoffen en andere moderne technologieën is de voedselproductie in toenemende mate afhankelijk geworden van fossiele brandstoffen. De fossiele brandstoffen worden elders in de keten gebruikt als grondstof voor synthetische stikstofmeststoffen en op aardolie gebaseerde landbouwchemicaliën en binnen de landbouwsector voor machines op diesel. Dit resulteert in broeikasgasemissies van de sector waaronder koolstofdioxide, methaan en stikstofoxide. Pensfermentatie en mest zijn overigens veel grotere emissiebronnen van broeikasgassen dan het gebruik van energie of kunstmest.

Geothermie is een kansrijke hernieuwbare energiebron voor de glastuinbouw, de grootste energiegebruiker binnen de landbouw.

Geothermische energie is een aantrekkelijke hernieuwbare energiebron voor de glastuinbouw ter vervanging van aardgas dat wordt ingezet in ketels en in warmtekrachtkoppelingsinstallaties die zowel warmte als elektriciteit produceren. In Nederland zijn er al glastuinbouwbedrijven die aardwarmte gebruiken. De kosten en mogelijkheden van geothermische energie zijn logischerwijs afhankelijk van de ondergrondse situatie en vooral de diepte waarop warmte van de juiste temperatuur beschikbaar is. Nog niet voor heel Nederland is het potentieel voor geothermie bekend, maar hier wordt aan gewerkt door EBN en TNO. Zie ook de beschrijving van geothermie.

Wind- en zonne-energie en biogas zijn ook geschikte vormen van opwekking van hernieuwbare energie in de landbouw.

Net als vele andere sectoren zal de landbouwsector naar verwachting ook bijdragen aan de energietransitie. Omdat boerderijen goed geschikt zijn om hun land te gebruiken voor de opwekking van schone energie kunnen zij hierin een belangrijk rol spelen. Er zijn in Europa al vele voorbeelden van technologieën voor hernieuwbare energie op boerderijen te vinden. Eigenaren van landbouwgrond worden betaald door ontwikkelaars van windenergieprojecten om windturbines op hun grond te plaatsen waarbij ze kunnen doorgaan met het planten van gewassen of het laten grazen van dieren er om heen. Ook zijn landbouwers zelf eigenaar van windturbines waarvan ze de energie deels ter plekke gebruiken.  

Daken van stallen en schuren zijn ideaal voor het installeren van zonnepanelen. Boeren die eigenaar zijn van windturbines en/of zonnepanelen profiteren vaak van belastingvoordelen en subsidies voor hernieuwbare energie om hen te helpen de overgang naar schonere energie te maken. Ze moeten dan vaak wel investeren in een hogere aansluitcapaciteit omdat de productie van hernieuwbare elektriciteit hoger is dan de eigen vraag. 

Verder is er aanzienlijke commerciële ervaring met vergisters, met name voor mest en voor co-vergisting met organisch afval en de vertering van afval van cultuurgewassen. De schaal van deze systemen verschilt van boerenbedrijfsomvang (typisch voor mestverwerking in de intensieve veehouderij, melkvee en varkens) tot grote, gecentraliseerde vergisters die verschillende biogene grondstoffen van een leveringsgebied omzetten. Biogas afkomstig van de vergassing van het afval van cultuurgewassen, waarvoor landbouwgrond en uitgebreide logistiek nodig zijn, is controversiëler. De totale balans van broeikasgassen van dergelijke systemen is afhankelijk van landbeheer, de efficiëntie van de keten en concurrentie.  

In verschillende omgevingen kunnen boeren verschillende technologieën combineren en kunnen ze hernieuwbare energie leveren aan elektriciteits- of gasnetten.

De energieprijzen, de kosten van alternatieve energiebronnen en stimuleringsmaatregelen zijn van belang voor de overstap naar hernieuwbare energie.

De landbouwsector is, net als vele andere sectoren, gevoelig voor veranderingen in de energieprijzen, zowel direct als indirect. Naarmate de energieprijzen stijgen zullen prikkels groter worden voor landbouwproducenten om hun energie-uitgaven verminderen door minder op energie gebaseerde inkopen te doen en hun energie-efficiëntie te verbeteren. De Nederlandse landbouwsector, waar zoals gemeld het grootste deel van het energiegebruik plaatsvindt in kassen, is bezig energie efficiënter te gebruiken en richt zich daarbij op het introduceren van nieuwe technieken. Dit wordt ondersteund door verschillende stimuleringsmaatregelen van de overheid.

Rekening houden met andere sectoren en lokale omstandigheden is noodzakelijk voor het verminderen van broeikasgasemissies door de landbouwsector.

Om aan de lange-termijn doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs van 2015 te voldoen, zijn verdergaande toekomstige emissiereducties vereist. Op EU-niveau is een strategische benadering van de rol van landbouw nodig om de opgaven voor de energietransitie in Europa aan te pakken. Dit houdt in dat inzicht wordt verkregen in hoe een koolstofarme landbouwsector of een compleet uitstootvrije landbouwsector er uit kan zien, wat de interactie is met andere sectoren, en hoe consumentengedrag en voorkeuren, drijfveren en acties eruit zien om de noodzakelijke verandering mogelijk te maken. Daarnaast staat de rol van landbouwgrond als opslag van koolstof meer in de belangstelling. Dit kan ook een bijdrage leveren aan het terugdringen van broeikasgasemissies. Op dit moment is er nog steeds aanzienlijke onzekerheid in de wetenschappelijke kennis over de oorzaken, omvang en duurzaamheid van koolstofopvang door landbouwbodems.

Website by Webroots