Industrie

Nederland heeft een relatief energie-intensieve industriële sector.

De industriesector in Nederland is in vergelijking met andere landen relatief energie-intensief. Het aandeel van de industrie in het totaal energetisch verbruik in Nederland bedraagt 30%. Als ook het niet-energetisch verbruik wordt meegeteld (zoals bijvoorbeeld aardolie voor de productie van polymeren) dan stijgt het aandeel van de industrie tot bijna 40%. De chemiesector is verantwoordelijke voor twee derde van het energiegebruik in de Nederlandse industrie (inclusief niet-energetisch verbruik). Ook de staalindustrie is een grote energiegebruiker en uitstoter van CO2. De industrie is geconcentreerd in vijf grote clusters: Rotterdam en de Moerdijk, Zeeland, Chemelot bij Geleen, het Eemshavengebied bij Delfzijl en het Noordzeekanaalgebied. Het grote aandeel van de industrie in het energiegebruik betekent ook dat de verduurzaming van de industrie een grote rol speelt in de energietransitie.

Energiedragers worden er voor vele uiteenlopende toepassingen ingezet.

Het verbruik van energiedragers in de industrie is op te delen in drie hoofdtoepassingen: om warmte op te wekken voor productieprocessen, in de vorm van elektriciteit en bij het gebruik van energiedragers als grondstof voor het maken van producten. Het gebruik als grondstof komt bijvoorbeeld voor bij aardolieproducten die in kunststoffen terecht komen en aardgas voor kunstmestproductie. Deze energiedragers worden dus niet in warmte, beweging of elektriciteit omgezet. Toepassing van energiedragers als grondstof wordt niet-energetisch gebruik genoemd. Bijna de helft van het energieverbruik in de Nederlandse industrie betreft niet-energetische toepassingen, wat te maken heeft met de grote chemiesector. Van het energetisch verbruik beslaat het verbruik voor warmte met vier vijfde het grootste deel. Een vierde toepassing is die van cokes voor de reductie van ijzererts in de staalproductie.

Het verlagen van de CO₂-emissie kan door energiebesparing, hernieuwbare energie, inzet van andere energiedragers, maatregelen in de materiaalketen en CO₂-opslag.

De broeikasgasemissies van de grote industrie vallen onder het emissiehandelssysteem ETS. De grote industriële bedrijven krijgen een deel van de emissierechten gratis. Het deel dat gratis wordt verstrekt wordt bepaald aan de hand van de 10% meest efficiënte bedrijven in de EU. Voor het deel daarboven moeten rechten worden gekocht, en als er minder wordt uitgestoten dan wordt afgedekt door de gratis rechten dan kunnen die rechten worden verkocht.  In het Klimaatakkoord is er naast het ETS een geleidelijk oplopende nationale CO2-heffing voor de industrie afgesproken om het reductiedoel voor de industrie te halen. De nationale heffing stelt de totaalprijs vast inclusief de ETS-prijs, en betreft dus alleen het verschil tussen de nationaal vastgestelde prijs en de ETS-prijs. Verder is in het Klimaatakkoord afgesproken dat onder de verbrede subsidieregeling SDE++ ook CO2-reducerende maatregelen vallen anders dan hernieuwbare energieopwekking, wat mogelijkheden biedt voor industrie. Het verlagen van CO2-emissies van de industrie kan door over te schakelen op energiedragers met minder CO2-uitstoot per opgewekte hoeveelheid elektriciteit of warmte, door het toepassen van energiebesparende maatregelen, door inzet van hernieuwbare energie of door CO2 af te vangen en op te slaan (CCS). Alternatieve brandstoffen met lagere emissies zijn biogas, blauwe waterstof (gemaakt uit aardgas waarbij de vrijkomende CO2 wordt opgeslagen) en groene waterstof (gemaakt met behulp van elektrolyse en hernieuwbare elektriciteit). Energiebesparing is te realiseren door efficiëntere productieprocessen waaronder hergebruik van materialen en efficiëntere scheidingsprocessen met behulp van membranen in plaats van destillatie, maar ook door meer hergebruik van restwarmte. Voor dit laatste zijn er ontwikkelingen op het gebied van het opwaarderen van restwarmte naar voldoende hoge temperatuur met behulp van industriële warmtepompen. Het meer inzetten van elektriciteit zal in combinatie met toenemend aandeel hernieuwbare elektriciteit zorgen voor lagere indirecte emissies. Omdat het tijd zal vergen om productieprocessen te verduurzamen kan CO2-afvang en -opslag een rol spelen in de fase dat nog niet alle processen emissievrij zijn.

Verschillende procestemperaturen vragen om verschillende verduurzamingsopties die gezamenlijk kunnen bijdragen aan het bereiken van een klimaatneutrale industrie.

In de industrie is warmte nodig op verschillende temperatuurniveaus. De temperaturen lopen uiteen van minder dan 100 °C tot meer dan 1000 °C. Voor verschillende temperatuurniveaus zijn er andere opties voor verduurzaming. Elektrificatie van proceswarmte in de industrie met behulp van weerstandsverwarming of warmtepompen is een mogelijkheid voor het verduurzamen van processen die lagere temperaturen nodig hebben, maar voor de hogere temperatuurniveaus zullen ook brandstoffen nodig blijven. Klimaatneutrale mogelijkheden hiervoor zijn biobrandstoffen, blauwe en groene waterstof of andere synthetische brandstoffen; bij het produceren van synthetische brandstoffen moet dan wel niet-fossiele koolstof worden gebruikt of alle fossiele koolstof worden hergebruikt of opgeslagen. Een andere optie voor lagere temperaturen is geothermie. Inzet van fossiele brandstoffen is een mogelijkheid in een klimaatneutraal scenario als CCS wordt toegepast. Het toepassen van hybride verwarmingsketels, dat wil zeggen ketels die zowel op brandstof als op elektriciteit kunnen draaien, kan niet alleen een rol spelen bij het verminderen van de CO2-uitstoot (als de elektriciteit uit hernieuwbare bron komt) maar ook bij het vergroten van de flexibiliteit van het elektriciteitssysteem door te reageren op de aanbodafhankelijke elektriciteitsprijs (vraagrespons, zie ook het thema flexibiliteit).

Website by Webroots