Regionale en lokale energietransitie

Een regionale aanpak kan het draagvlak voor en de effectiviteit van de energietransitie verbeteren

Er ontstaat meer behoefte aan regionale sturing van het energie- en klimaatbeleid.

De doelen voor energiebesparing, hernieuwbare energie en emissiereductie kwamen tot enige jaren geleden voornamelijk van nationaal en EU-niveau, en ook het beleid werd vaak op dat niveau geformuleerd. Er is beleid gemaakt voor energiebesparing, hernieuwbare energie en broeikasgasemissiereductie. Het was vaak beleid gericht op gehele sectoren. Dit is een geschikte aanpak voor bepaalde onderwerpen en sectoren, zoals industrie en transport, maar minder bij beleid voor hernieuwbare energie (vanwege de invloed op de leefomgeving en het landschap) en voor verduurzaming van woningen en andere gebouwen (vanwege het grote aantal en de diversiteit van de woningen en de verschillen in beschikbare alternatieven voor aardgas). Om recht te doen aan de regionale verschillen wordt met het Klimaatakkoord ingezet op sterkere regionale sturing en beleid.

 

Daarbij kan voldoende inspraak helpen om weerstand tegen de bouw van wind- en zonneparken te voorkomen.

Regionale elektriciteitsopwekking was tot voor kort niet erg zichtbaar in het landschap. In het verleden waren vooral hoogspanningsleidingen opvallend; elektriciteitscentrales hebben per geproduceerde hoeveelheid elektriciteit niet veel oppervlak nodig. Wind– en zonne-energie vergen echter wel veel oppervlak. Met de groeiende inzet op hernieuwbare elektriciteitsproductie ontstond een sterkere behoefte aan afspraken voor een regionale verdeling. De doelen voor windenergie zijn in 2014 al over de provincies verdeeld in de Structuurvisie Windenergie op land. Voor windparken van meer dan 100 MW is het Rijk het bevoegd gezag en geldt de Rijkscoördinatieregeling. Het nationaal beleid dat hieruit voortkomt heeft bij sommige windparken tot protest geleid. Een bekend voorbeeld is het windpark in de veenkoloniën in Drenthe waar het protest zeer heftig is en soms gepaard gaat met bedreigingen. Meer recent is er ook protest te horen tegen de aanleg van zonneweiden. Er zijn echter ook genoeg voorbeelden waarbij wind- en zonne-energie zonder problemen wordt geïnstalleerd, vooral als er een burgerinitiatief in het spel is. Zonnepanelen op daken leiden ook tot weinig protest.

 

De verschillen tussen de regio’s zullen leiden tot verschillende invullingen van de regionale doelstellingen voor hernieuwbare elektriciteit.

In het Klimaatakkoord is het doel gesteld om 35 TWh hernieuwbare elektriciteitsproductie op land te realiseren, te behalen door de regio’s. Elke regio heeft zijn eigen kernmerken. Kustregio’s zijn gewoonlijk wind- en zonrijk, terwijl het binnenland juist lagere windsnelheden en minder zonuren kent. Sommige regio’s zijn dichtbevolkt en hebben een hoog verbruik, maar weinig ruimte om al het lokale verbruik in de eigen regio op te wekken. Andere regio’s zijn dunbevolkt en kunnen meer produceren dan nodig in de eigen regio. Het aandeel grote industrie varieert sterk van regio tot regio en is vaak geconcentreerd rond havengebieden of in grondstofrijke gebieden, zoals de mijnstreek in Limburg. Zowel in economische zin als in verband met systeeminpassing en ruimtelijke en landschappelijke inpassing is het niet optimaal om elke regio generieke doelen op te leggen, zoals bijvoorbeeld een percentage hernieuwbaar voor het regionaal elektriciteitsverbruik, klimaatneutraliteit of energieneutraliteit. Het Klimaatakkoord hanteert dan ook geen vaste doelen per regio, maar ook geen op één of andere wijze geoptimaliseerde verdeling. De voorgestelde aanpak is om de regio’s voorstellen voor hun bijdrage te laten indienen en te controleren of dit optelt tot de gewenste 35 TWh.

Verder zal de verduurzaming van gebouwen rekening moeten houden met lokale variatie.

Naast het doel uit het Klimaatakkoord voor hernieuwbare elektriciteit is er het doel voor het verduurzamen van gebouwde omgeving. In 2030 moeten al 1,5 miljoen bestaande woningen verduurzaamd zijn. Bij verwarming van gebouwen is de variatie nog fijnmaziger dan bij de opwekking van hernieuwbare elektriciteit; voor verwarming kunnen de beste oplossingen per wijk en zelfs per gebouw verschillen. Er zijn vele opties voor de verduurzaming van warmtevoorziening van gebouwen die elk geschikt zijn in bepaalde omstandigheden. Nabij restwarmtebronnen lijken hogetemperatuur warmtenetten geschikt voor oudere wijken met hoge isolatiekosten, al zal dat op termijn verduurzaming van de warmtelevering vragen met bijvoorbeeld biomassaketels of WKK geschikt voor gas en biobrandstoffen. Voor nieuwbouw en goed te isoleren wijken kan elektrificatie met warmtepompen uitkomst bieden, maar mogelijk ook lagetemperatuur warmtenetten met restwarmte van datacenters of aquathermie. Voor oude stadscentra bieden naar verwachting (beperkt beschikbare) vormen van hernieuwbaar gas een kostenefficiënt alternatief. In de buitengebieden kunnen pelletketels nog uitkomst bieden.

 

Door de gemeenten de regie te geven en de bewoners bij het proces te betrekken zal de acceptatie van verduurzaming van woningen toenemen.

Door het voornemen om het gebruik van aardgas af te bouwen en de plannen in het Klimaatakkoord voor een warmtetransitie komt er een nieuwe vorm van verduurzaming aan die gevolgen zal hebben in de woningen van mensen zelf. Deze opgave vergt een zorgvuldige aanpak. De kosten zijn een belangrijk punt, net als het “gedoe” dat komt kijken bij de werkzaamheden die nodig zijn om van het aardgas af te komen. Het betrekken van de bewoners bij het proces kan helpen bij de acceptatie van de noodzakelijke veranderingen. Gegeven het belang van lokale inpassing en draagvlak is deze regie in de warmtetransitie aan de gemeenten toebedeeld.

 

Website by Webroots