Aardgasvrije wijken

Zoeken naar een aanpak waar iedereen warm voor loopt

Zowel het stoppen met Gronings gas als emissiereductie is aanleiding voor het komen tot aardgasvrije wijken. 

Het plan voor een aardgasvrije gebouwde omgeving in Nederland kent twee belangrijke aanleidingen. Allereerst willen we af van de aardgaswinning in Groningen en de aardbevingen die daarmee geassocieerd zijn. Daarnaast kan een transitie naar aardgasvrij leiden tot grootschalige CO2-reductie en daarmee bijdragen aan de nationale doelen in het Klimaatakkoord en de internationale doelen van het Parijs-verdrag. Het kabinet heeft deze twee ambities gebundeld in het doel: alle Nederlandse gebouwen aardgasvrij in 2050. Hiervoor moeten vanaf  2021 50.000 gebouwen per jaar aardgasvrij gemaakt worden. Ruim vóór 2030 gaat dit aantal naar 200.000 woningen per jaar (https://www.rvo.nl/onderwerpen/duurzaam-ondernemen/duurzame-energie-opwekken/aardgasvrij).

Het is complex bestaande bouw aardgasvrij te maken, in tegenstelling tot nieuwbouw.

Er is een groot verschil tussen aardgasvrije nieuwbouw en bestaande bouw. Met het afschaffen van de aansluitplicht is aardgasvrije nieuwbouw de nieuwe norm geworden. Alleen in hoogst uitzonderlijke gevallen worden er nog nieuwe woningen gebouwd met een gasaansluiting. Nieuwe huizen voldoen ook aan strengere eisen qua isolatie die vaak een vereiste zijn voor succesvolle aardgasvrije alternatieven. Voor bestaande woningen is het een ander verhaal, omdat daar de wil van eigenaar-bewoners, woningbouwcorporaties en particuliere verhuurders een belangrijke rol speelt.

Voor een succesvol aardgasvrij beleid is een duidelijke taakverdeling nodig.

Aan de klimaattafel gebouwde omgeving is op hoofdlijnen bedacht hoe een aardgasvrij Nederland gerealiseerd kan worden. De landelijke overheid heeft deze taak voor een belangrijk deel neergelegd bij gemeentes. Er lopen anno 2019 in 27 gemeentes aardgasvrije proeftuinen, waarvan de lessen moeten bijdragen aan de opschaling naar 100 aardgasvrije wijken de komende jaren. De gemeentes hebben echter ondersteuning nodig voor belangrijke keuzes als: welke aardgasvrije technieken het beste op welke plek kunnen worden toegepast en hoe bewoners op een goede manier betrokken kunnen worden. Verder hebben gemeentes behoefte aan duidelijkheid over instrumenten als financieringsconstructies, subsidies en veranderingen in de energiebelasting om concreet met aardgasvrij aan de slag te gaan. Deze keuzes moeten landelijk gemaakt worden door het Rijk, maar zijn tot op heden nog niet helemaal uitgekristalliseerd. Om de gemeentes te ondersteunen is het Nationaal Expertisecentrum Warmte (NEW) opgericht. De taak van dit centrum is het ondersteunen van gemeentes bij de technische invulling van de plannen om van het gas af te gaan. Het VESTA-model van PBL wordt hierbij ingezet om inzicht te geven in de keuze voor een bepaald aardgasloos alternatief in een bepaalde wijk. Dit helpt gemeentes bij het vormgeven van hun warmtevisie in 2021: welke buurt op welk aardgasloos alternatief overgaat. Tegelijkertijd moet de gemeentelijke wijkaanpak aansluiten op de Regionale Energie Strategieën (RES).

De belangen van bewoners evenals technische oplossingen staan centraal.

Over het algemeen bestaat er nog veel onduidelijkheid hoe bewoners het beste kunnen worden betrokken bij de aardgasvrije transitie en waar welk alternatief het beste past. Het is belangrijk om aardgasvrije technieken en het bewonersperspectief niet los van elkaar te zien. Vanuit de techniek bezien zijn er twee stromen: 1) hoe zorgen we dat er in 2050 op grote schaal energie-optimale woningen zijn gerealiseerd en 2) het mag niet teveel kosten, we moeten kiezen voor technieken die mensen kunnen betalen. Wat ontbreekt in beide visies is welke technieken mensen zelf wíllen. Innovatie moet zowel gericht zijn op betaalbaarheid als op aantrekkelijkheid voor bewoners. Vervolgens moet gekeken worden hoe dit in de totale energietransitie past. Als bijvoorbeeld veel mensen een warmtepomp willen, wat betekent dat dan voor het elektriciteitsnet? Uiteindelijk willen de meeste mensen gewoon fijn wonen en zijn ze over het algemeen niet geïnteresseerd in energie. De wensen van bewoners zijn verschillend. Erop inspelen vereist maatwerk. Dit maakt het lastig hier een eenduidig beleid voor te ontwerpen. Het is belangrijk om te zoeken naar een manier om energie en bewonerswensen aan elkaar te koppelen. Hiervoor is het noodzakelijk dat er meer gepraat wordt met bewoners. Het lastige is dat de verschillende belangenvertegenwoordigers zoals het Rijk, de gemeente, woningcorporaties en energiebedrijven die meepraten over de transitie verschillende belangen hebben en dat deze belangen niet per se overeenkomen met de wens van bewoners: een fijn huis en een veilige buurt. Het is ook lastig voor partijen om over hun eigen schotjes heen te kijken en het ontbreekt daarom aan een integrale visie op aardgasvrije wijken.

ECN part of TNO helpt om verschillende visies en partijen te verbinden door holistisch te kijken naar hoe de transitie het best kan worden geïmplementeerd.

Onderzoeksinstellingen als ECN part of TNO proberen neutraal en objectief naar het probleem te kijken en laten zich niet leiden door de waan van de dag. Dit geeft ruimte om te kijken hoe verschillende wensen gecombineerd kunnen worden en hoe kennis uit verschillende domeinen bij elkaar gebracht kan worden. ECN part of TNO doet veel onderzoek naar het bewonersperspectief. Dit soort onderzoeken zijn lastig en tijdrovend en zijn daarom niet altijd gebruikelijk bij beleidsontwikkeling, maar wel belangrijk vanwege veranderende inzichten over wat bewoners belangrijk vinden. Er is een hardnekkige, maar onjuiste veronderstelling bij veel partijen dat bewoners vooral gemotiveerd worden door economische redenen en kennis. Beter inzicht in de werkelijke drijfveren van huishoudens helpt om de energietransitie te versnellen.

Om de aardgasvrije transitie te laten slagen, moeten betrokken partijen uit hun comfortzone durven stappen.

De markt speelt een belangrijke rol in opschaling van betaalbare, goede aardgasvrije concepten. Bewoners willen best beperkt tijd en geld steken in aardgasvrije alternatieven als er makkelijke, kant en klare oplossingen worden aangeboden De bouwsector staat echter nog niet te springen om hierin te investeren, omdat er wordt gewacht op een duidelijke vraag. Wat meespeelt is dat ook zonder opdrachten voor aardgasvrije verbouwingen bouwbedrijven op dit moment meer dan genoeg werk hebben aan reguliere klussen zoals het plaatsen van dakkapellen of het ontwikkelen van nieuwbouwwoningen. Voor een succesvolle transitie naar aardgasvrije wijken moeten de betrokken stakeholders bereid zijn de gang van zaken die ze gewend zijn te veranderen. Met dwang aardgasvrije wijken opleggen is niet in het belang van de politiek noch van de overige betrokkenen. We moeten zoeken naar een aanpak waar alle betrokken partijen warm voor lopen, zonder het kind met het badwater weg te gooien. Woningcorporaties, netbeheerders, energiebedrijven, VvE’s, alle dienen ze een functie in de dagelijkse praktijk. Deze partijen zijn er niet voor niks. Het is de uitdaging om een manier te vinden om aardgasvrije wijken te realiseren en tegelijkertijd bestaande instituties in hun waarde te laten. Aan de andere kant is het onvermijdelijk dat een dergelijke grote transitie weerstand op roept. Weerstand en frictie zijn niet perse erg. Het stimuleert het denken en geeft zo informatie over waar men bang voor is, waar mensen behoefte aan hebben en welke vragen er leven. Het is zaak om goed te luisteren naar de bezwaren en angsten, die serieus te nemen en te zoeken naar oplossingen.

Bewoners willen vooral duidelijkheid en betrokken worden bij beslissingen.

Bewoners willen bij uitstek duidelijkheid. Wat betekent de aardgasvrije transitie voor mij en mijn huis? Wat moet ik betalen? Wat zijn de plannen voor mijn wijk? Uiteindelijk is de gemeente een belangrijk kanaal om deze antwoorden te verspreiden, maar de antwoorden moeten ook deels komen vanuit het Rijk geholpen door kennisorganisaties als ECN part of TNO. Op dit moment is er nog veel onzekerheid bij gemeentes en de markt, die daardoor ook hun burgers en klanten nog niet de gewenste duidelijkheid kunnen geven. Het is belangrijk dat er zo snel mogelijk duidelijkheid komt over de te kiezen aanpak. Een beleidsaanpak zal nooit in één keer perfect zijn. Daarbij  is ook belangrijk dat we leren van het proces en monitoren wat de impact is. Het komt nu nog vaak voor dat er een programma wordt opgetuigd en als het niet goed werkt wordt het programma geschrapt en vervangen door een nieuwe plan, in plaats van de tijd te nemen om te onderzoeken wat er niet werkt en wat aan het programma verbeterd kan worden.

Website by Webroots